'János vertrekt in zijn Golfje naar het Balatonmeer in Hongarije. In Zuid-Duitsland laat zijn auto hem echter in de steek. Gelukkig kan hij met een Hongaarse familie meeliften tot Boedapest.'  Wat er daar gebeurt, leest u in het spannende nieuwe boek van Therese Major, waarvan Most Magyarul! u in nummer 91 het eerste hoofdstuk tweetalig mocht aanbieden. Hopelijk komt er ook een volledige Hongaarse vertaling en wellicht lukt het om het boek ook in Hongarije uit te geven.


Het Nederlandstalige boek kunt u bestellen via de website van Uitgeverij M.Boox.


Klik op de afbeelding voor een pdf van de dubbele pagina in Most Magyarul! met ook tekst van hoofdstuk 1 in het Hongaars


MAGYARUL: 


Kattints a képre, hogy olvasd magyarul János és a dunai halott első fejezetét!  Törteli Nikolett fordítása.


Nederlands

1

 

Ik was tweeëntwintig en had nog nooit een dode gezien, tot ik in Budapest kwam, en ik zou niet eens naar Budapest.

Chickie en ik waren uitgestapt bij het nieuwe metrostation vlak bij het Gellért Hotel en we wandelden over de benedenkade van de Donau naar de Bartók Béla straat waar zij me had uitgenodigd voor de nacht. In de tandartspraktijk van haar vader.

Het was de hele dag broeierig geweest, ofschoon het al oktober was. De laatste zonnestralen kleurden de lucht zachtroze en vanaf de rivier woei een verkoelende bries over de stad. Ik vroeg me af of ik nader tot Chickie wilde komen. Ze was niet erg spraakzaam, noch van een uitbundige schoonheid met haar bleek gelaat, fletsblauwe ogen, korte roestbruine haar en kleine, magere gestalte. Maar voor die ene nacht dat ik hier blijven zou, was ze mooi genoeg. En de geur van gegeten Hongaarse salami die om haar heen zweefde maakte me hongerig.

We stonden een moment stil om te kijken hoe een halfnaakte man kleine basaltblokken uit de oever van de rivier sleepte en er een haventje van bouwde in het ondiepe water tegen de walkant. Een klein hondje drentelde om hem heen en sprong in en uit het water. Toen de stenen een afgesloten ruimte vormden, trok de zwerver zijn broek uit, legde die naast een gele plastic tas op de keien en liet zich in zijn bad glijden. Met zijn armen gespreid, het hoofd tegen een steen gevlijd koesterde hij zich in de zoelte van de middagzon.

‘Een reine zwerver,’ wilde ik zeggen, en: ‘Mag dat, baden in de rivier?’, ik had er ook wel zin in, toen Chickie naast me kokhalsgeluiden maakte. Haar fletse ogen puilden uit en staarden naar de Vrijheidsbrug, ze sloeg haar hand voor haar mond en gaf nog net niet over.

Ik wierp een snelle blik naar de brug. Daar duikelde in slow motion iemand door de lucht en petste op het water. Instinctief smeet ik mijn weekendtas neer en sprintte zo snel het ging over de basaltblokken om de drenkeling te redden. Als ik erover na ging denken, deed ik het niet meer en er was geen seconde te verliezen. Ook al leek de Donau kalm te kabbelen, water is een sterke kracht, in enkele tellen zou het lichaam weggedreven zijn, onbereikbaar.

Met een paar ferme slagen was ik op de juiste hoogte, het lichaam dreef als vanzelf naar me toe en botste tegen me aan. Ik haakte mijn ene onderarm onder zijn oksel en sleurde, zwemmend met mijn andere arm het lijf naar de oever. Het was zwaar, maar ik ben een Nederlander, mijn vader is een Fries, wij geven nooit op.

Goddank voelde ik eindelijk bodem onder mijn voeten. Hijgend ging ik staan, mijn longen knapten bijna uit mijn borstkas. Ik stak nu mijn beide armen onder de oksels van de drenkeling en hees hem, achterwaarts voorzichtige stappen zettend, naar het zitbad van de zwerver. Die was al weg. Ook zijn broek en plastic tas en het hondje waren nergens meer te bekennen. Maar zijn bad was als een oase in de woestijn.

Ik duwde een paar stenen opzij en met mijn laatste krachten legde ik voorzichtig het hoofd van de bijna-verzopene op een grote kei, zodat de golven zijn mond en neus niet konden bereiken en ik bekeek zijn gezicht.

Het was een man. Zwarte, krullerige haarlokken plakten tegen zijn voorhoofd. Zijn lichtblauwe ogen stonden wijd open en staarden naar een verte die niemand op aarde zien kan. Ik las er een laatste blik van verbazing in, iets als: ‘Dít was niet de bedoeling!’

‘Whoo …’ Meer wist ik niet uit te brengen. Van schrik deed ik een pas achteruit en viel.

Over het Szent Gellért plein kwamen op hetzelfde moment gillende politieauto’s en ambulances aangereden. De politieauto’s blokkeerden de weg, agenten sprongen naar buiten en maakten heftige gebaren naar het verkeer dat met horten en stoten tot stilstand kwam. Ambulancepersoneel trok behendig een brancard uit de wagen, verplegers hupten op witte gympen over de stenen naar me toe. Met zijn allen sleepten ze de dode bij me weg, hesen hem uit het water en legden hem voorzichtig op de baar. Pas op dat moment zag ik de strop, een dun koord. Het tikte zacht tegen de grijze keien, terwijl de verplegers naar boven, terug naar de straat klommen. Een van hen struikelde over het touw, raapte het op, rolde het tot een lus en legde het behoedzaam op de borst van de dode man.

Ik kwam half overeind en zocht nahijgend een basaltblok om op te zitten en even bij te komen.

‘Het is verboden te zwemmen in de rivier,’ klonk in het Hongaars achter me. Het was een politieagent. Met een tablet in zijn hand maakte hij foto’s van de brug, de rivier, het bad van de zwerver en van mij. ‘Wie bent u?’

 

Mostmagyarul!